Regeneratief ontwerpen begint met anders kijken

Voor Djordy van Laar van Alba Concepts is regeneratief ontwerpen niet de volgende trede op de duurzaamheidsladder. Duurzaam en regeneratief liggen volgens hem niet eens op dezelfde as. Het vertrekpunt verandert: van het gebouw als object dat we optimaliseren, naar de vraag wat onze ingreep betekent voor het levende systeem waarvan zij onderdeel wordt. “De vraag is niet alleen hoe duurzaam een gebouw is, maar wat dankzij dat gebouw tot ontwikkeling kan komen.”

Tekst: Peter Bekkering

Djordy van Laar is al zijn hele professionele leven op zoek naar betekenis binnen de bouw. Tijdens zijn studie civiele techniek begon het al te schuren. “Ik leerde hoe we sluizen, waterkeringen, bruggen en wegen met beton en staal konden ontwerpen om de natuur te beheersen. De natuur werd bijna een tegenstander. Tegelijkertijd zag ik hoeveel CO₂-uitstoot onze manier van bouwen veroorzaakte. Ik dacht: dit moet anders kunnen.”

Zijn zoektocht bracht hem eerst bij duurzame gebouwen en later bij netto-positief. Toen hij in 2023 het gedachtegoed van Giles Hutchins ontdekte, viel een belangrijk puzzelstuk op zijn plek. “Ik begon te begrijpen dat regeneratief niet ‘nog duurzamer’ is. Het ligt niet op dezelfde as en het is ook geen extra kwaliteit die je aan een gebouw toevoegt. Je kijkt vanuit een ander vertrekpunt.”

Dat vertrekpunt begint voor Van Laar bij een simpele constatering: wij zijn natuur. “We spreken vaak over mens en natuur, alsof het twee verschillende dingen zijn. Datzelfde zie je in de bouw. We ontwerpen een gebouw en vragen vervolgens hoeveel natuur we eraan kunnen toevoegen. Maar wij zíjn natuur. Dan verandert de vraag. Niet alleen: hoe beperken we onze schade? Maar ook: welke rol kunnen wij spelen in de ontwikkeling van het levende geheel waarvan we zelf onderdeel zijn?”

Regeneratie is nu

Daarmee komt Van Laar bij misschien wel het belangrijkste onderscheid. Regeneratie is geen beweging die ontwerpers of ontwikkelaars op gang moeten brengen. Het is ook geen toekomstbeeld waar we naartoe ontwerpen. “De regeneratieve levensimpuls is nu al aanwezig in de plek en in de relaties waarvan wij onderdeel zijn.”

Daniel Christian Wahl beschrijft die levensimpuls als het vermogen van leven om zich te vernieuwen, te helen, relaties aan te gaan, te leren en steeds opnieuw voorwaarden te scheppen voor meer leven. “Een project begint dus nooit bij nul. Wij trekken misschien een projectgrens en prikken een startdatum, maar bodem, water, ecologie, mensen, geschiedenis en onderlinge relaties ontwikkelen zich al. Onze interventie voegt zich in die ontwikkeling.”

Ook Bill Reed helpt hem om dat onderscheid scherp te maken. “Reed zegt heel eenvoudig: gebouwen kunnen zich niet voortplanten. Een gebouw is geen levend systeem. Het kan zichzelf dus niet regenereren.” Daarom vindt Van Laar de vraag of een gebouw regeneratief is uiteindelijk niet zo interessant. “De betere vraag is: aan welke regeneratie draagt dit gebouw bij?”

Dat maakt het meteen concreter. Houdt een ingreep water langer vast? Krijgen planten en dieren meer ruimte? Wordt de bodem gezonder? Worden relaties tussen mensen sterker? Blijft waarde langer in de lokale gemeenschap? “Het gebouw is niet het begin en niet het einde. Het is een interventie in een ontwikkeling die al gaande is.”

Van zorgenkind naar potentieel

De gebouwde omgeving wordt vaak terecht als zorgenkind gezien. Bouwen veroorzaakt veel CO₂-uitstoot, vraagt enorme hoeveelheden grondstoffen en beïnvloedt bodem, water en biodiversiteit. Maar juist daarin ziet Van Laar ook een enorme kans. “Als de gebouwde omgeving op zoveel systemen ingrijpt, dan ligt daar ook een gigantisch potentieel. Bijna nergens geven we zo direct vorm aan de relaties tussen mensen, natuur, bodem, water, economie en gemeenschap.”

Daar krijgt ook de architect een andere betekenis. Niet als degene die ons wel even uit de klimaatcrisis, biodiversiteitscrisis en grondstoffencrisis ontwerpt. “Dat zou opnieuw suggereren dat wij buiten het systeem staan en het kunnen repareren. Maar architecten zijn wel bij uitstek getraind om verbanden te zien, mogelijkheden te verbeelden en iets wat nog niet bestaat voorstelbaar te maken. Daar zit een enorme potentie.”

Een verhaal van Bill Reed maakte dat voor hem tastbaar. Reed kreeg een traditionele ontwerpopgave voor een supermarkt en draaide de vraag om. Niet: hoe maken we de meest duurzame supermarkt? Maar: hoe kan deze supermarkt bijdragen aan de ontwikkeling van de regio waarin hij staat? “Er verandert maar één zin, maar eigenlijk verandert de hele opgave. Je gaat andere vragen stellen, andere schaalniveaus bekijken en waarschijnlijk ook andere mensen betrekken. Misschien ligt een van de grootste ontwerpvrijheden dus al vóór het tekenen: in het vermogen om te zien of we wel de juiste vraag stellen.”

Welke wijsheid zit aan tafel?

Een andere ontwerpvraag vraagt ook om een bredere blik op kennis. “We zijn ongelooflijk goed geworden in analyseren, meten, modelleren en optimaliseren. Dat heeft ons enorm veel gebracht. Het probleem is niet rationele kennis. De balans is zoekgeraakt doordat we die vorm van weten zo dominant hebben gemaakt.”

Een plek laat zich volgens Van Laar niet volledig begrijpen vanuit data, tekeningen en modellen. Daarvoor zijn verschillende vormen van wijsheid nodig. “Wetenschappelijke kennis en data zijn belangrijk. Maar ook ervaring, verhalen, ecologische kennis, waarneming, intuïtie en voelen kunnen iets zichtbaar maken wat je anders mist. Het gaat er niet om rationele kennis te vervangen. Het gaat erom haar weer onderdeel te maken van een rijker palet aan manieren van weten.”

Dat heeft praktische gevolgen voor het ontwerpteam. “Bij de start van een project vallen we vaak terug op de geijkte partijen en patronen die we allemaal kennen. Daarmee bepalen we ongemerkt ook welke kennis vanaf het begin meeweegt.” Van Laar stelt daarom andere vragen. Wie betrekt iemand die al veertig jaar in het gebied woont? Wanneer vragen we het waterschap wat daar in tientallen jaren over het watersysteem is geleerd? Waarom zit een ecoloog of landschapsarchitect niet vanaf dag één in het ontwerpteam?

En sommige stemmen kunnen niet zelf aanschuiven. Wie vertegenwoordigt toekomstige generaties? Hoe krijgen bodem, water, planten en dieren een stem? “Daar bestaan geen simpele recepten voor. Maar het begint met beseffen dat onze professionele blik altijd beperkt is. Misschien is de eerste ontwerpbeslissing wel: wie nodigen we uit om mee te kijken?”

The Sea Cliff Bridge in Clifton, Australië (Silas Baisch, Unsplash)

Eerst ervaren

Daar raakt regeneratief ontwerpen voor Van Laar aan regeneratief leiderschap. Bij Alba Concepts ontstond daarom een driedaags programma waarin natuur en praktijk bewust de basis vormen. “Je kunt dit gedachtegoed eindeloos uitleggen, maar uiteindelijk moet je het ervaren. Anders blijft het intellectuele kennis.”

Voor hem loopt daar een eenvoudige lijn doorheen. Wat je ervaart beïnvloedt hoe je kijkt. Hoe je kijkt, beïnvloedt hoe je handelt. En je handelen bepaalt uiteindelijk mede wat je tekent, adviseert, besluit en bouwt. “Als we nieuwe begrippen leren, maar vanuit dezelfde patronen blijven handelen, krijgen we waarschijnlijk grotendeels dezelfde uitkomsten.”

Van Laar herinnert zich hoe Bill Reed in zijn lezing zegt dat mensen ongeveer een jaar nodig hebben om deze manier van kijken werkelijk eigen te maken. “Dat herken ik heel sterk. Bij mij werkte het ook zo. Eerst begrijp je de woorden rationeel. Daarna ga je patronen herkennen in je werk en in jezelf. Langzaam verandert niet alleen wat je weet, maar ook wat je ziet en hoe je reageert.” Regeneratief ontwerpen is voor hem daarom geen methode die je na een training beheerst. “Het is ontwikkelwerk.”

Acupunctuur, timing en relaties

Wie anders leert kijken, ziet volgens Van Laar ook andere mogelijkheden om te handelen. Daarvoor gebruikt hij graag de metafoor van acupunctuur. “Niet overal tegelijk en niet altijd harder. Soms kan een relatief kleine interventie op de juiste plek en op het juiste moment veel meer teweegbrengen dan een grote oplossing die je over een systeem heen legt.”

De bever is voor hem een eenvoudig voorbeeld. Een dam verandert waterstromen en daarmee de omstandigheden in een gebied. Vegetatie verandert, habitats ontstaan en soorten reageren. “De bever ontwerpt niet al die uitkomsten. Hij verandert iets in de omstandigheden en het systeem reageert.”

De bekende korte film How Wolves Change Rivers laat op een andere manier zien hoe groot zo’n doorwerking kan zijn. De terugkeer van wolven in Yellowstone beïnvloedde een bestaand netwerk van grazers, vegetatie, andere soorten en water. De ecologische werkelijkheid is complexer dan de korte film suggereert, en juist dat vindt Van Laar interessant. “Levende systemen zijn niet-lineair. Een interventie landt altijd in een web van relaties dat al bestaat.”

Daarom is timing zo belangrijk. “Die relaties zijn er nu al. Een interventie die vandaag weinig doet, kan op een ander moment precies het goede zetje geven. Regeneratief ontwerpen gaat dus niet alleen over wát je doet. Het gaat ook over waar en wanneer je handelt.”

Geen routekaart maar een kompas

Omdat levende systemen niet-lineair zijn, kun je nooit volledig voorspellen wat een interventie teweegbrengt. Daarom gebruikt Van Laar liever het beeld van een kompas dan van een routekaart. “Een routekaart suggereert dat je vooraf precies weet welke stappen tot welke uitkomst leiden. Een kompas geeft richting, terwijl je onderweg blijft waarnemen.”

Meetbare prestaties blijven daarbij onmisbaar. “We moeten CO₂, materiaalgebruik, biodiversiteit, water en circulariteit serieus meten. Als je niet weet wat er gebeurt, kun je ook niet goed leren.” Maar KPI’s zijn volgens hem het dashboard, niet het kompas. “Het dashboard vertelt je wat er gebeurt. Het vertelt je niet waar je naartoe wilt.”

Het kompas gaat voor Van Laar over de richting waarin je wilt bijdragen: meer vitaliteit, sterkere relaties en meer ruimte voor menselijk en niet-menselijk leven om te floreren. Vervolgens geeft de werkelijkheid terugkoppeling. “Je geeft richting, doet iets en kijkt wat er werkelijk gebeurt. Die feedback vertelt je of je nog in lijn handelt met je kompas. Daarna stem je opnieuw af.”

Regeneratief werken wordt daarmee geen rechte lijn van plan naar eindresultaat. Het is een voortdurende beweging van waarnemen, richting kiezen, interveniëren, feedback ontvangen, leren en opnieuw handelen. “Dat is geen gebrek aan regie. Het is een vorm van regie die past bij levende systemen.”

‘Een routekaart suggereert dat je vooraf precies weet welke stappen tot welke uitkomst leiden. Een kompas geeft richting, terwijl je onderweg blijft waarnemen’

Van één project naar collectief leren

Daarin ziet Van Laar misschien wel het grootste potentieel. “Stel dat ieder project ons niet alleen een gebouw oplevert, maar ons ook beter leert hoe we kunnen ontwerpen en ontwikkelen in lijn met de regeneratieve levensimpuls. Dan wordt ieder project ook een leeromgeving.” Wat werkte hier? Wat gebeurde anders dan verwacht? Welke relaties werden sterker? Welke kennis ontbrak? Wie had eerder betrokken moeten worden? “Als we die lessen niet binnen één projectteam opsluiten, maar delen en meenemen naar volgende projecten, bouwen we gezamenlijk ontwikkelvermogen op.”

Dat betekent nadrukkelijk niet dat dezelfde oplossing overal wordt gekopieerd. Iedere plek is anders. “Het gaat niet om een nieuwe standaardaanpak. Het gaat erom dat ontwerpers, ontwikkelaars, overheden en gemeenschappen steeds beter leren kijken, betere vragen stellen en preciezer leren handelen.” Daar kan volgens Van Laar een enorm cumulatief effect uit ontstaan. “Niet één fantastisch gebouw dat we vervolgens regeneratief noemen, maar duizenden interventies en tegelijk een sector die van iedere interventie leert.”

Van beheersen naar deelnemen

Daarmee komt Van Laar terug bij de spanning die hij als student al voelde. “We zijn enorm goed geworden in beheersen. We verdelen projecten in fasen, disciplines, eigendommen, verantwoordelijkheden en projectgrenzen. Dat is vaak nodig. Maar water, soorten, bodemleven, economie en sociale relaties houden zich niet aan onze grenzen.”

Regeneratief ontwerpen vraagt volgens hem daarom niet dat we nóg beter worden in het beheersen van het geheel. “Het vraagt dat we leren deelnemen aan iets wat groter is dan wijzelf. Je ontwerpt, verbeeldt, kiest en intervenieert, maar je blijft ook gevoelig voor wat er al is en voor wat het systeem op jouw ingreep teruggeeft.”

Daarin zit voor hem de werkelijke potentie van de architect. Niet om de wereld te redden met één briljant ontwerp, maar om verbeeldingskracht en creativiteit te gebruiken om andere mogelijkheden zichtbaar te maken. De gebouwde omgeving wordt dan meer dan een sector die vooral minder schade moet veroorzaken. Ze wordt ook een mogelijke hefboom voor transformatie.

“Als we blijven ontwerpen vanuit dezelfde patronen en hetzelfde wereldbeeld dat degeneratie heeft veroorzaakt, kunnen we de schade misschien verminderen. Dat is belangrijk, maar het is nog geen regeneratie. Regeneratie vraagt dat we opnieuw leren handelen in relatie tot het levende systeem.”

Dat betekent niet terug naar één ideale, stabiele toestand. “Levende systemen zijn voortdurend in beweging. Het gaat om het steeds opnieuw vinden van een dynamische balans waarin menselijk en niet-menselijk leven kunnen floreren.”

Anders kijken, anders handelen

Daarom begint regeneratief ontwerpen voor Van Laar met anders kijken. Niet alleen naar het gebouw, maar naar het grotere levende systeem waarin het landt. Niet alleen naar een toekomst die wij willen maken, maar naar de ontwikkeling die nu al gaande is. Niet alleen naar bekende experts en meetbare informatie, maar naar de verschillende vormen van wijsheid die al in een plek aanwezig zijn.

Vanuit die blik ontstaan andere vragen. Wat vraagt dit van de ontwerper? Wie moet er aan tafel zitten? Welke kennis ontbreekt nog? Wanneer is het juiste moment om te handelen? Wat brengt onze interventie werkelijk teweeg? En hoe zorgen we ervoor dat een volgend project begint met alles wat we inmiddels hebben geleerd?

“Als iemand zegt dat hij het duurzaamste kantoor heeft ontworpen, vraag ik weleens: zou de wereld duurzaam zijn als iedereen zo zou bouwen? Vaak wordt het dan even stil. Niet omdat zo’n gebouw niet goed is, maar omdat je ineens naar het grotere geheel kijkt.”

Misschien begint regeneratief ontwerpen precies daar. Niet bij de gedachte dat wij regeneratie moeten veroorzaken. De levensimpuls is er al. Wel bij het vermogen om opnieuw te zien waarvan we onderdeel zijn en vervolgens een andere ontwerpvraag te stellen:

Wat kan hier dankzij onze ingreep over tien, vijftig of honderd jaar sterker, rijker en levendiger zijn dan vandaag?

“Voor mij is dat werken zoals de natuur werkt. Steeds beter leren waarnemen, ervaren, handelen en leren. Niet om het leven naar onze hand te zetten, maar om steeds beter te worden in het bijdragen aan het leven dat er al is.”

Een Nederlands groen dak (Shutterstock)

Voorbeeld van regeneratief ontwerpen

Verdieping en verwijzingen

Giles Hutchins, Leading by Nature: Verdieping op regeneratief leiderschap en het denken vanuit levende systemen.
Daniel Christian Wahl, Designing Regenerative Cultures: Verdieping op de regeneratieve levensimpuls, plaatsgebonden ontwikkeling en leren werken met levende systemen.
Bill Reed, Transforming our built environment: an introduction to regenerative development and design: De lezing die voor Van Laar een belangrijke ingang vormde tot regeneratieve ontwikkeling en whole and living systems.
How Wolves Change Rivers: Korte film over trophic cascades en de doorwerking van relaties in ecosystemen. De ecologische werkelijkheid van Yellowstone is complexer dan de film suggereert.